De CPC: een raceverslag van mijn eerste halve marathon

“KOM OP WESLEY! LEKKERE JONGEN!” De vrij persoonlijke aanmoediging van de mij onbekende, wat oudere vrouw in net iets te strakke tijgerprint body, bereikt niet alleen mij maar ook de twee lopers naast mij. Zei ze nou, lekkere jongen?” “Ja volgens mij wel, zeg ik en hard lachend slaan we met zijn drieën rechts af, de Daal en Bergselaan op richting het 10 km punt. Ik ben bijna op de helft van mijn allereerste halve marathon. Ik voel me nog behoorlijk fit en heb net bijna de slappe lach gekregen. Dit is echt genieten!

Wie mij in de lente van 1990 had verteld dat ik ooit 21, 1 kilometer zou moeten hardlopen, had ik een knal voor zijn bakkes verkocht. In die lente werd ik namelijk voor het eerst geconfronteerd met de Coopertest. De hardloophel op aarde voor elke puber. Ik weet het nog als de dag van gisteren. In een groot park in Nieuwegein, waar mijn middelbare school toevallig stond, was een Coopertestbaan. Op een bloedhete vrijdagmiddag in juni fietsen 24 pubers, die halsreikend uitzien naar het weekend, richting het park. Rondom het bord COOPERTESTBAAN – VERBODEN FIETSEN TE PLAATSEN, worden de 24 fietsen in het gras gepleurd. De gymleraar – laten we hem in deze context voor het gemak even Sturmbannführer noemen – blaast op zijn fluit en de groep Clearasil smeerders is vertrokken. Ik weet niet hoe het bij jullie was, bij ons ging de coopertest om een cijfer. Je moest een voldoende halen. Dit betekende voor de jongens minimaal 2400 meter in die twaalf minuten. Ik weet nog goed dat ik na 300 meter weer ging wandelen, vanwege de helse steken in mijn zij. “Doorlopen mietje”, schreeuwde Herr Cooper mit die Fleute. “Die steken horen erbij en gaan vanzelf weer over!” Twaalf minuten later ging de fluit nogmaals en met tranen in mijn ogen en met steken die in de buurt kwamen van mijn blindedarmonsteking twee jaar eerder kwam ik tot stilstand vlak na het bordje 2400 meter. De Hel van ’90 was voorbij. Voor nu.

Sorry waarde lezer. Ik liet me even meeslepen door deze traumatische herinnering. Ik neem u graag snel mee terug naar de race. De reden dat u hier bent natuurlijk. Laten we een stukje terugspoelen en beginnen bij de start. Ik start in startvak 3. Startvak 1 en 2 zijn voor de snelle lopers. Startvak 3 voor de papa’s met bierbuik. Ik kijk om me heen en zie wat bordjes met tijden. Oh ja, de pacers. Blijf je in de buurt met een loper met bordje “2:10”, dan kun je er vanuit gaan dat je in die tijd finisht. Erg handig voor lopers die een bepaalde eindtijd willen lopen.

Ik bedenk me dat ik ongeveer 2 uur en 20 minuten zal lopen. Misschien een goed idee om op zoek te gaan naar dat bordje. Ik loop wat naar achteren. 1 uur en 50 minuten. 2 uur. 2 uur en 5 minuten. 2 uur en 10 minuten. En dan houden de bordjes op en ben ik helemaal achterin het startvak bij het laatste plukje lopers. Ik raak in paniek. 2 uur en 10 minuten? Betekent dat dat iedereen binnen 2 uur en 10 minuten binnen is?!? Ik raak nog verder in paniek. Ineens zie ik mijn finish al voor me: Alle lopers zijn ruimschoots binnen. De omroeper wil net zijn microfoon loskoppelen en ineens ziet hij in de verte nog iemand aankomen. “Dames en heren. Kijk nou, daar komt nog iemand aan! Wat grappig. Laten we hem met zijn allen een steuntje in de rug geven voor die laatste meters! Dat hij dit ondanks zijn waardeloze eindtijd – en helaas niet binnen de tijdlimiet, dus geen medaille – toch doet. Wat een doorzetter! Kom op Wessel, je kunt het!”

Ineens gaat het startschot en zijn we vertrokken. Kak, rennen! Het eerste gedeelte van de race is afzien. Niet omdat het zo zwaar is – dat valt eigenlijk wel mee – maar omdat ik doodsbang ben dat iedereen me inhaalt en ik alleen achterblijf. Ik durf niet achterom te kijken en focus me op die man met het bordje “2 uur 10 minuten”. Dan maar gewoon proberen zo lang mogelijk bij hem in de buurt te blijven en er het beste van maken. Ik kom aan bij de 5km drinkpost en probeer rennend een bekertje AA leeg te drinken om niet teveel tijd te verliezen. Met de nadruk op probeer. Misschien toch beter wat water kunnen aanpakken, dat plakt niet zo op de huid. De man met bordje lijkt langzaam aan een demarrage te beginnen, of wordt steeds kleiner. Ondanks dat, merk ik dat ik toch wat meer ontspannen word. Kijkend om me heen, zie ik namelijk best wel wat mensen die het zwaar beginnen te krijgen en wat langzamer gaan lopen. Ik durf voor het eerst achterom te kijken en zie tot mijn opluchting lopers. Zat lopers. Zou het dan toch nog goed komen? “Kom op Wesley! Lekkere jongen!” hoor ik ineens vanuit het publiek. Het laatste beetje spanning verdwijnt uit mijn lichaam en lachend steven ik af op het 10km punt. We zijn bijna op de helft en langzaam begin ik er plezier in te krijgen. Ik loop heerlijk en voel me nog kiplekker!

Ik merk op dat de twee lopers die ook moesten lachen om mijn grootste fan horen bij een groepje en we raken wat aan de praat. Ik besluit maar bij ze te blijven. Ze lopen in een lekker tempo, wat ik prima kan bij houden. Kilometer 10 t/m 15 vliegen voorbij en voordat ik het weet lopen we richting de boulevard van Scheveningen waar mijn vrouw ergens langs de kant staat te wachten. Het zwaarste stuk is de klim omhoog richting de boulevard. Daarna in een rechte lijn van 5 kilometer richting finish. Ik kijk op mijn horloge naar de tussentijd. Dit gaat heel erg lekker zeg. Mijn tempo ligt hoger dan verwacht en ik loop iets voor op mijn schema. Ik kijk nogmaals op mijn horloge, pols even hoe ik me voel en doe een snelle rekensom. Als ik straks de boulevard weer afloop en de laatste 5 kilometer vol gas ga, dan zou ik op 2 uur en 15 minuten kunnen uitkomen. Ik moet dat vol gas dan wel een half uur volhouden. Zal ik het doen of zal ik niet doen? Dan zie ik in de verte mijn vrouw staan en alle reden verdwijnt. Ik knal als een dolle stier vol gas de boulevard op en zodra ik haar passeer – wat verdomd lang duurt, dus zo vol gas ga ik blijkbaar niet – zeg ik stoer: ik ga zo nog een rondje hoor. Bel het restaurant maar dat het een uurtje later wordt. Ik kus haar vol op de mond en sjees alsof ik achter na gezeten wordt door Wile E. Coyote de flink in de steigers staande Scheveningse Boulevard af voor het laatste rechte stuk richting de finish.

Vijf kilometer later sla ik de laatste bocht om van het parcours en zie de finish voor me. Nog een paar honderd meter. Maar ook nog maar 1 minuut om op 2:15 uit te komen. Ik skip met de afstandbediening van mijn headset een paar nummers en terwijl Eye Of The Tiger begint, pers ik er een laatste eindsprint uit. Nog 10 seconden en de finish lijkt mijlenver weg. Nog 5 seconden, mijn knieën zwabberen, ik ben licht in mijn hoofd en het wordt wazig voor mijn ogen. Ik zie het rubber van de mat van de tijdregistratie. Ik gooi mijn bierbuik vooruit over de mat en kijk op mijn arm naar de tijd. Op de seconde af 2 uur en 15 minuten. Het is me gelukt! Ik heb een halve marathon gelopen! En ik leef nog! F*CK YES!

Shalane Flanagan op het moment dat ze weet dat ze de New York marathon 2017 heeft gewonnen

2 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *